Waarom trokken zij naar Holland?

Waarom besloten onze voorvaderen vanaf het midden van de 18de eeuw vanuit Westfalen westwaarts te trekken naar de kusten van de Noordzee? En waarom kwamen ze in een gebied in Holland terecht met een straal van ongeveer 20km rondom de stad Leiden. Wat was de aantrekkingskracht van dorpjes zoals Voorhout, Stompwijk, Rijnsburg, Nieuwveen en Zuid-Akendam (het huidige Haarlem-Noord)?

Familieoverleveringen
Voor zover bekend leven er geen overtuigende verhalen bij Diemel-families in Nederland, die een authentiek beeld geven waarom de verschillende Diemels uit Niederbergheim naar Nederland zijn getrokken en waarom zij zich daar uiteindelijk hebben gevestigd.

Eigenlijk zou je verwachten dat onze eerste stamboomonderzoeker Theodorus Willem Diemel (1866) op de hoogte was van de motieven van onze voorvaderen om zich in Holland te vestigen. Immers hij heeft zijn opa Hubertus (de jongste zoon van Hollandganger Gaudentius Diemel), in 1890 overleden, mogelijk persoonlijk gekend. Echter Theodorus Willem heeft blijkbaar niet uit eerste hand meegekregen waarom Gaudentius en zijn verwante naamgenoten hier in Holland zijn neergestreken. Dit wordt duidelijk in een brief uit 1942, van de hand van Theodorus Willem, die terecht is gekomen bij het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. Daaruit blijkt, dat hij niet wist waar hij de geboorteplaats Nederenbergsche (Niederbergheim) van zijn voorvader Gaudentius moest zoeken. Hij schreef: “In België heb ik reeds te Gent gevraagd. Een ander lid der familie deed navraag in Duitsland maar tevergeefs. Hoe Gaudentius te Stompwijk verzeild raakte? De archieven te Stompwijk geven geen uitkomst, die zijn in Den Haag in het Rijksarchief”.

Wel circuleren er verhalen in mijn familie, dat Gaudentius als lakenkoopman naar Holland is gekomen. Adrianus Franciscus Johannes Diemel (1875-1961) bijvoorbeeld schrijft in 1953 aan Hubertus Franciscus Diemel uit Den Haag (1876-1968), dat zijn voorvader Gaudentius geboren is in Duitsland en zich als lakenhandelaar gevestigd heeft in Leiden. Echter de eerste documenten waarin de beroepsgegevens van Gaudentius staan vermeld, zoals in de Poorterboeken van Leiden uit 1790 of later in de Burgerlijke Stand, geven aan dat Gaudentius ingeschreven staat als kleermakersknecht, respectievelijk kleermaker. Hoewel het beroep van een handwerkman, zoals een kleermaker, anders van aard is dan dat van koopman in lakens en stoffen, is een dergelijke overstap in die tijd en in die situatie niet onlogisch. Maar er is geen document of overlevering te vinden, die kan bevestigen dat Gaudentius aanvankelijk als lakenkoopman naar Holland is getrokken. Je kunt je afvragen of hier sprake is van een werkelijke overlevering of van omgekeerd redeneren.: 'Hij zal vroeger wel een lakenkoopman uit Duitsland zijn geweest, omdat hij later in Nederland te boek staat als kleermaker'. Met andere woorden tot nog toe is het onduidelijk of dit ‘lakenkoopmanverhaal’ in mijn familie, waarvan velen -vanaf de tijd van Gaudentius- het kleermakersvak hebben uitgeoefend, op waarheid berust.

Kortom overleveringen binnen de familie Diemel brengen ons hierin tot op dit moment niet echt verder.

Wat vertelt de geschiedenis over die tijd in Westfalen?
Bekend is dat in de 17de en 18de eeuw, maar ook nog in 19de sprake was van een omvangrijke trekarbeid vanuit noordwest Duitsland naar Nederland. Deze trekarbeid wordt beïnvloed door politieke en sociaal-economische factoren zowel Nederland als in Westfalen.

In de 17de en 18de eeuw heeft een groot deel van de plattelandsbevolking in Westfalen het economisch gezien buitengewoon moeilijk gehad. Na de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) hadden de talrijke prinsdommen, graafschappen en koninkrijken te maken met torenhoge schulden. Om deze weg te werken werd hiertoe een ingrijpende belastingpolitiek gevoerd. Dit leidde tot een verarming van de bevolking. Hierdoor nam het aantal mensen toe, dat elk seizoen buiten de grenzen werk ging zoeken.

Ook het verbod op erfdeling (vanaf 1618) droeg in grote mate bij aan het vertrek van Duitse arbeiders naar Nederland. Dit verbod hield in dat slechts de oudste zoon het ouderlijk bedrijf erfde, waardoor voorkomen werd dat er een verdeling in kleine bedrijfjes plaatsvond. De overige erfgenamen maakte geen aanspraak op het erfgoed en moesten dan genoegen nemen met een afkoopsom. Deze afkoopsom was vaak niet zo groot. In praktijk kwam het erop neer dat de niet ervende kinderen als knecht of dienstmeisje in dienst kwamen op de boerderij. Of zij huurden een klein stukje grond en een aangrenzend huisje of kregen onderdak in een van de aanwezige bijgebouwen. Men moest in eigen onderhoud voorzien, maar mocht wel de eigen koe, zeug of schaap op de omliggende ‘Mark’ weiden. Mede daardoor bleven deze nazaten, ook wel ‘Heurleute’ of huurlieden genoemd, binnen het werkgebied van de boerenhoeve. Daar stond dan tegenover, dat naast het voldoen van de pachtsom, het hele gezin inzetbaar moest zijn bij de dagelijkse werkzaamheden van de boerderij. Dit verbod op erfdeling (vanaf 1618) en het daaruit voortvloeiende Westfällisch Höfenrecht waarbij een onderscheid gemaakt werd naar grootte van de boerderij, leidde dus tot een klasseverdeling van Vollerben, Halberben en een sterk groeiende armlastige boerenonderklasse de Heurleute (Erbkötten en Markkötter).

In de 18de eeuw hield de economische groei bij lange na geen gelijke tred met een opkomende bevolkingsgroei. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat bovengenoemde politieke en sociaal-economische factoren een toenemende huisnijverheid (linnenweven, spinnen) tot gevolg hadden. Maar daarnaast ontstond er ook vooral een trek naar de Hollandse kuststreken om het schamele bestaan aan te vullen.

Hollandgang
De Hollandgang zette zich in vanaf de 17de eeuw en beleefde zijn hoogtepunt in de 18de eeuw. In de tweede helft van de 19de eeuw nam deze trekarbeid sterk in betekenis af. In de hoogtijdagen trokken jaarlijks zo’n 30.000 naar het aangrenzende “steinreiche” Holland. Deze trekarbeid werd zo ver van de eigenlijke woonplaats verricht, dat ze niet dezelfde dag nog konden terugkeren. Vaak deden ze er een paar dagen over, veelal te voet, deels per boot om op de plaats van bestemming te komen. Daarom kwamen deze trekarbeiders slechts een paar maal per maand of minder thuis. Vaak was dit werkverblijf ook seizoenbepaald. Ze werkten als zogenaamde polderjongens bij vaarten en dijken, als ‘blekersboden’ op de blekenrijen, als grasmaaiers (hannekemaaiers) in de weilanden, als veenwerkers in drassige veengebieden, als tuinlieden op buitenplaatsen of ze trokken als marskramers (kiepenkerels) van boerderij naar boerderij. Ook als matroos was er voldoende emplooi bij de V.O.C., de walvisvaart of visserij en waren scheepsbouwers, handelswerklieden, metselaars en timmerlieden eveneens van harte welkom.

Hollandgangers vanuit Sauerland
Verreweg de meeste trekarbeiders uit Westfalen op zoek naar werk aan de kusten van de Noordzee zijn afkomstig vanuit prinsdom Osnabruck, graafschap Lingen, graafschap Bentheim, Münsterland¹. Net ten zuiden van dit gebied, in Sauerland, specifiek de driehoek Arnsberg, Soest en Warstein is over de trek van Hollandgängers veel minder bekend. Kornelis Mulder meldt in zijn boekje 'Hannekemaaiers en Kiepkerels': “Vanuit Sauerland -onder andere Soest- trokken de mannen veelal naar de IJsselsteden. Niet alleen als landarbeider, maar vooral later als koopman, de zogenaamde Kiepkerel”.

Waren onze voorouders trekarbeiders of immigranten?
Uit bovenstaande blijkt dat het niet duidelijk is, welke beweegredenen bij onze voorouders hebben gespeeld om naar Holland te trekken. Wellicht kunnen we wel aannemen, dat economische motieven een rol hebben gespeeld. Immers onderzoek heeft uitgewezen, dat in die tijd trekarbeid veelvuldig voorkwam om het schamele bestaan in het land van herkomst aan te vullen. Maar de vraag is of onze voorouders tot die groep Hollandgangers behoorden, die als seizoen-arbeiders tussen Nederland en Duitsland heen en weer pendelden en zich uiteindelijk in Holland hebben gevestigd. Of waren het permanente immigranten, die besloten een beter leven op te zoeken in een meer welvaren Holland? Jan Lucassen constateert in zijn onderzoek ‘Naar de kusten van de Noordzee’, dat de Duitse immigrant in de meeste gevallen een man was, nog niet getrouwd, in de stad ging wonen en daar werkzaam was in ambacht, nijverheid of handel als kleine baas of als knecht. Hij concludeert, dat deze karakteristiek niet van toepassing is op de meeste trekarbeiders. Hoewel Gaudentius, Dirk, Frans Otto en Willem aanvankelijk niet in een stad gingen wonen, waren zij wel allen ongetrouwd vanuit Duitsland gekomen en oefende drie van hen een ambacht uit zoals kleermaker of smid. Het lijkt erop dat onze voorvaderen toch eerder als Duitse immigranten gezien moeten worden, dan als trekarbeiders. Echter hard bewijs is hiervoor (nog) niet gevonden.