3. Willem Diemel - Risicovolle terugkeer naar Holland
   179. -1799

3.1 Terug ondanks zijn verbanning
Waar Willem na het einde van zijn gevangenisstraf verbleef, weten we niet. Volgens het vonnis uit 1786 mocht hij zijn leven lang niet meer naar Holland en West-Friesland terugkeren. Toch treffen we hem in 1798 in Nieuwveen aan. Op 15 juni 1798 werd daar zijn voorgenomen huwelijk met Antje Kluijs, dochter van Dirk Kluijs en Neeltje Douwe en weduwe van Hendrik Reijneken, in het gaarderregister geregistreerd. Nadat de drie vereiste huwelijksproclamaties zonder bezwaar hadden plaatsgevonden, trouwden zij in juli 1798 voor het gerecht van Nieuwveen. Het echtpaar vestigde zich daar. In september werd hun zoon Johannes geboren, die op 24 september 1798 werd gedoopt. De doopgetuigen waren Willems broer Gaudentius Diemel en diens vrouw Marijtje Lelijveld. Daarmee wordt de identificatie van Willem uit Nieuwveen met Johannes Wilhelmus Diemel uit Niederbergheim krachtig ondersteund. Het kind overleed ongeveer twee maanden later.

3.2 Werkzaam onder Leimuiden
In 1798 werkte Willem bij een landbouwer onder Leimuiden, gedurende de zogenoemde baggertijd, die werd aangeduid als de periode van Sint-Pieter tot november. Sint-Pieter verwees naar een kerkelijke feestdag, maar welke datum hiermee werd bedoeld, is niet duidelijk. In Rijnland was baggeren van oudsher verbonden met de turfwinning. Mogelijk verrichtte Willem werkzaamheden in het veen, maar welke werkzaamheden hij precies voor de landbouwer uitvoerde, wordt niet vermeld.

3.3 De verdwenen geldsom
Op 28 december 1798 ontdekte de landbouwer, bij wie Willem had gewerkt, dat uit een kist in zijn woning een aanzienlijke som geld was verdwenen, naar schatting 1.700 tot 2.000 gulden. Het geld werd bewaard in een lade van de kist, maar de landbouwer had er al geruime tijd niet meer naar omgekeken. Toen hij weer in de lade keek, vond hij nog slechts twee zesthalven, die boven op de kledingstukken in de kist lagen. Enige tijd daarvoor had de eigenaar het slot van de lade aan een smid meegegeven om het te laten repareren. Wanneer het geld precies was verdwenen, kon hij niet verklaren. De verdenking richtte zich op Willem, die eerder bij de landbouwer had gewerkt. Volgens de baljuw had hij mogelijk gebruikgemaakt van de afwezigheid van de landbouwer, diens vrouw en een dienstmeisje om het geld weg te nemen. De aanklager verdacht hem er bovendien van een slot van de kist te hebben geforceerd. Of Willem daadwerkelijk bij de diefstal betrokken was, stond daarmee niet vast.

3.4 Omstandigheden die de verdenking versterkten
De baljuw wees op verschillende omstandigheden die volgens hem de verdenking tegen Willem versterkten. Zo was Willem kort daarvoor verschillende keren namens zijn broer (Gaudentius) aangemaand en met een rechtszaak bedreigd wegens een onbetaalde schuld van 12 gulden. Niet lang daarna kocht hij echter verschillende goederen, die hij contant betaalde met munten van drie gulden of zesthalven. Volgens de baljuw waren dit precies de muntsoorten die de landbouwer als vermist had opgegeven. Door Willems opvallende uitgaven werd het gerucht dat hij de diefstal had gepleegd steeds sterker. Om dit tegen te gaan, liet Willem door de dorpsomroeper van Nieuwveen bekendmaken dat hij een beloning van 25 gulden uitloofde voor degene die kon bewijzen dat hij de dader was. Willem vroeg bovendien zelf aan de bestolen landbouwer of deze hem van de diefstal verdacht. Tijdens dat gesprek zou hij hebben opgemerkt dat de dief gebruik moest hebben gemaakt van het moment waarop het slot van de lade voor reparatie naar de smid was gebracht. Volgens de baljuw bleek hieruit dat Willem van deze bijzondere omstandigheid op de hoogte was.

3.5 Willem verdwijnt uit Nieuwveen
Nadat de schout van Leimuiden namens de bestolen landbouwer aangifte had gedaan en de baljuw verdere inlichtingen had ontvangen, wilde deze Willem in Nieuwveen ondervragen, in aanwezigheid van twee rechters van Rijnland. Willem werd echter niet aangetroffen. Kort daarna vernam de baljuw dat Willem was gevlucht en zich daarmee aan verder onderzoek had onttrokken. Na zijn vertrek werden Willems bezittingen geïnventariseerd door de schout en twee leden van het gerecht van Nieuwveen. Daarbij werd onder andere 83 gulden aangetroffen, in een doos in een kast in het huis van zijn schoonvader. Deze verklaarde dat het geld niet aan hem toebehoorde. Willems vrouw Antje Kluijs verklaarde later voor de Hoge Vierschaar dat Willem dit bedrag vóór zijn vertrek uit Nieuwveen aan haar vader had overhandigd. Onder de overige bezittingen bevonden zich enkele nieuw vervaardigde zilveren voorwerpen en een groot aantal loterijbriefjes. Ook bleek dat Willem zelf aan verschillende personen geld had voorgeschoten of uitgeleend, zowel met als zonder onderpand. Volgens de baljuw kon Willem, die slechts arbeider was en bovendien lange tijd in het Gravensteen gevangen had gezeten, deze bezittingen en geldbedragen onmogelijk op eerlijke wijze hebben verkregen. Samen met zijn vlucht beschouwde hij dit als een sterke aanwijzing dat Willem de diefstal had gepleegd.

3.6 Justitie probeert Willem op te sporen
Hoewel Willem uit Nieuwveen was verdwenen, werd hij op 17 januari 1799 nog bij toeval ontmoet door Jan Vork. Willem vertelde hem wat er bij hem thuis was gebeurd en zei, toen hij wegging, dat hij die avond weer thuis zou komen. Op 19 januari 1799 werd vastgelegd dat rechter Van Velzen onderzoek had gedaan om Willem op te sporen, maar hem ondanks alle inspanningen niet had kunnen vinden. Ook Willems vrouw Antje werd gehoord. Zij verklaarde dat haar vader geld van Willem onder zich had, maar dat zij niet wist hoeveel. Willem bleef voor justitie onvindbaar.

3.7 Viermaal opgeroepen
Omdat Willem niet kon worden gevonden, verzocht de baljuw op 2 februari 1799 toestemming om hem voor de eerste maal door middel van een edictale citatie, een openbare dagvaarding, op te roepen. De Hoge Vierschaar stond dit toe. Het bestaande bevel tot aanhouding bleef daarbij van kracht: wanneer Willem werd gevonden, kon hij worden gearresteerd. Willem verscheen niet na deze eerste openbare dagvaarding. Daarop volgde het eerste verstek, waarbij hij de mogelijkheid verloor om een exceptie declinatoir aan te voeren: een bezwaar tegen de bevoegdheid van het gerecht. Op 23 februari 1799 volgde het tweede verstek. Daarmee verloor Willem ook de mogelijkheid om een dilatoire exceptie aan te voeren, een juridisch bezwaar waarmee de behandeling van de zaak kon worden uitgesteld. Op 16 maart 1799 volgde het derde verstek. Omdat Willem opnieuw niet verscheen, verloor hij de mogelijkheid om een peremptoire exceptie aan te voeren, een juridisch bezwaar dat, als het werd aanvaard, verdere behandeling van de zaak kon verhinderen. Op 6 april 1799 verzocht de baljuw om Willem ten overvloede voor de vierde maal openbaar te dagvaarden. Willem moest worden opgeroepen om kennis te nemen van het intendit: de schriftelijke uiteenzetting van de aanklacht en de daarvoor aangevoerde bewijsgronden. Volgens de latere processtukken werden de dagvaardingen na klokgelui bekendgemaakt. Afschriften werden onder meer aangeplakt bij de Hoge Vierschaar en bij Willems laatst bekende woonplaats. Ondanks deze herhaalde oproepen verscheen Willem niet voor het gerecht.

3.8 De strafeis van 11 mei 1799
Op 11 mei 1799 diende baljuw mr. François Gualtherus Blok zijn strafeis tegen Willem in bij het Hof en de Hoge Vierschaar van Rijnland. Willem werd daarin aangeduid als Johannes Wilhelmus Diemel, geboren te Niederenbergheim, ongeveer 35 jaar oud en laatst woonachtig te Nieuwveen. De aanklacht betrof zowel de verdenking van de diefstal onder Leimuiden als de schending van zijn levenslange verbanning uit 1786. De baljuw verwees naar het eerdere vonnis, dat op 29 juli 1786 was gewezen en op 5 augustus 1786 ten uitvoer was gelegd, en naar de omstandigheden die volgens hem op Willems betrokkenheid bij de nieuwe diefstal wezen.
Omdat Willem ondanks de herhaalde dagvaardingen niet was verschenen, verlangde de baljuw dat hij ook zijn overige mogelijkheden tot verdediging zou verliezen. Hij eiste dat Willem levenslang verbannen zou blijven uit Holland en West-Friesland, Zeeland en Utrecht, met de doodstraf bij terugkeer in een van deze gebieden. Daarnaast vorderde hij de gerechtskosten. Dit was de eis van de baljuw, niet het vonnis van de Hoge Vierschaar. Met deze strafeis eindigt het tot nu toe bekende gerechtelijke dossier van Willem. Of de Hoge Vierschaar uiteindelijk uitspraak heeft gedaan, blijkt niet uit de gevonden stukken.
Van belang is het onderscheid tussen de beide diefstallen. De diefstal van 1786 staat vast: Willem bekende en werd ervoor veroordeeld. De diefstal waarvan hij eind 1798 werd verdacht, bleef op basis van de gevonden stukken een verdenking. Een veroordeling voor deze diefstal is niet aangetroffen.

3.9 Spoorloos na 1799
Over Willems verdere verblijfplaats is niets bekend. Na zijn verdwijning verliezen we ook zijn vrouw Antje Kluijs en haar zoon Dirk Reijneken, uit haar eerste huwelijk, enige tijd uit het oog.
Antje blijkt op 17 juli 1802 in Thamen aan de Amstel te zijn begraven. Dit wordt bevestigd in een verklaring van 6 april 1811, opgenomen in de huwelijksbijlagen bij Dirks tweede huwelijk met Christina Boland. Daarin staat dat Antje ‘als eene onbekende is overleden en pro Deo begraven is’. Omdat haar overlijden om die reden niet in de doodlijsten was teruggevonden, diende deze verklaring ter vervanging van een officieel uittreksel. Opmerkelijk is dat Antje hierin uitsluitend als weduwe van haar eerste echtgenoot, Hendrik Reijneke, wordt aangeduid. Haar huwelijk met Willem Diemel wordt niet vermeld. Wanneer en onder welke omstandigheden Antje en Dirk in Thamen terechtkwamen, is niet bekend. Ook blijft onduidelijk of Willem na zijn verdwijning nog bij hen is geweest.

Willems levensloop laat zich daarmee slechts gedeeltelijk reconstrueren. Als jonge immigrant treffen we hem eerst mogelijk in Rijnsburg aan en vervolgens als boerenknecht onder Zoetermeer. Na de diefstal van 1786 werd hij gegeseld, gebrandmerkt en tot tien jaar gevangenschap veroordeeld, waarvan hem later wegens goed gedrag twee jaar werden kwijtgescholden. Ondanks zijn levenslange verbanning uit Holland en West-Friesland keerde hij naar Holland terug, trouwde in Nieuwveen en kreeg een zoon. Een nieuwe verdenking van diefstal leidde eind 1798 opnieuw tot vervolging, waarna Willem uit Nieuwveen verdween en buiten bereik van het gerecht bleef.
Wat er na 1799 met Willem Diemel is gebeurd, blijft vooralsnog een raadsel.