2. Willem Diemel - Zijn jaren als veroordeelde 1786 -1794
2.1 Boerenknecht in Zoetermeer
In 1786 duikt Willem op in de stukken van de Hoge Vierschaar van Rijnland. Dit regionale gerechtshof behandelde strafzaken en burgerlijke rechtszaken en had ook bestuurlijke bevoegdheden. Willem wordt hierin aangeduid als Johannes Wilhelmus Diemel, geboren te Niederenbergheim, ruim 22 jaar oud en boerenknecht, laatst woonachtig onder Zoetermeer. Zijn opgegeven leeftijd klopt niet met zijn geboortedatum van 10 mei 1761. Hij was inmiddels 25 jaar. Zijn naam, geboorteplaats en overige gegevens laten er echter weinig twijfel over bestaan dat het om Willem Diemel uit Niederbergheim gaat. Hij had enige tijd gewerkt en gewoond bij Jacobus Vonck, een landbouwer aan de Voorweg onder Zoetermeer.
2.2 De nachtelijke diefstal
In de nacht van 16 op 17 juli 1786 stond Willem, nadat hij al naar bed was gegaan, weer op en keerde heimelijk terug naar de boerderij van Jacobus Vonck. Via de deur van de dorsvloer kwam hij binnen en ging vervolgens naar de zolder, waar de zonen van Vonck lagen te slapen. Hij stal gouden hemdsknopen, een zilveren horloge, geld, een hemdrok met zilveren knopen, broek- en schoengespen en enkele andere voorwerpen. Daarna keerde hij terug naar zijn verblijfplaats en ging weer naar bed.
Op 18 juli 1786 verkocht Willem binnen de stad Leiden een deel van de gestolen goederen. Een ander deel ruilde hij tegen andere goederen.
2.3 Bekentenis en oordeel baljuw
Dit alles bleek uit Willems eigen bekentenis, die zonder pijniging en zonder boeien of ijzers was afgelegd. Volgens de baljuw van Rijnland, Wigbold Jan Theodoor baron van der Does, bleek daaruit voldoende dat Willem met een ‘boosaardig opzet en overleg’ had gehandeld, met de bedoeling zich ten koste van een ander te verrijken. De bajuw sprak van een ernstige diefstal, vergezeld van verschillende verzwarende omstandigheden, zonder deze nader te benoemen.
Van der Does plaatste het misdrijf bovendien in een bredere maatschappelijke context. Volgens hem kwamen diefstallen destijds zo veelvuldig voor dat de rust en veiligheid van de plattelandsbevolking ernstig in gevaar kwamen. Dergelijke misdrijven konden volgens hem in een land waar het recht werd gehandhaafd niet worden geduld. Hij achtte daarom een bijzonder strenge bestraffing noodzakelijk, niet alleen vanwege de ernst van de diefstal, maar ook om anderen tot voorbeeld en waarschuwing te dienen.
2.4 Strafeis van de Bajuw
De baljuw eiste een bijzonder zware straf. Willem moest op het openbare schavot voor 's-Gravenstein in Leiden aan een paal worden gebonden, streng met roeden worden gegeseld en vervolgens met het gloeiende ijzer van Rijnland worden gebrandmerkt. Daarna eiste de hij dertig jaar opsluiting in een tucht- of werkhuis, gevolgd door levenslange verbanning uit Holland en West-Friesland.
2.5 Het vonnis van de Hoge Vierschaar
De Hoge Vierschaar nam die eis niet volledig over. Op 29 juli 1786 veroordeelde de Hoge Vierschaar van Rijnland Willem tot geseling en brandmerking, gevolgd door tien jaar opsluiting in een tuchthuis binnen de provincie, waar hij met handenarbeid de kost moest verdienen. Na afloop van zijn gevangenisstraf zou hij levenslang uit Holland en West-Friesland worden verbannen. Bij terugkeer riskeerde hij een zwaardere straf. Ook moest hij de gerechtskosten betalen. Op 5 augustus 1786 werden de opgelegde geseling en brandmerking daadwerkelijk uitgevoerd, zoals blijkt uit de afzonderlijke kantlijnaantekening bij het vonnis.
2.6 Willems verzoek vanuit de gevangenis
Op 22 januari 1787 verschijnt Willem opnieuw in de rechterlijke registers. Hij verbleef op dat moment als gevangene in ’s-Gravenstein. Willem had verzocht voor de heren te mogen verschijnen. Hij vroeg om opheffing van zijn verbanning en om toestemming naar vermoedelijk een van de koloniën, of naar Oost- of West-Indië, te mogen varen. Zijn beweegredenen worden niet vermeld. Het college nam zijn verzoek in beraad. Of het uiteindelijk werd ingewilligd of afgewezen, is niet bekend.
2.7 Twee jaar strafvermindering
Op 26 oktober 1793 verschijnt Willems naam opnieuw in de rechterlijke registers. Vanwege berichten over zijn goede gedrag werd zijn gevangenisstraf met twee jaar verminderd. Als zijn in augustus 1786 begonnen gevangenisstraf zonder onderbreking is uitgevoerd, zou hij daardoor omstreeks augustus 1794 zijn vrijgekomen. Een document dat zijn daadwerkelijke ontslagdatum bevestigt, is echter niet gevonden.
De strafvermindering veranderde niets aan het andere onderdeel van zijn vonnis: de levenslange verbanning uit Holland en West-Friesland bleef van kracht.
lees verder: Willems' risicovolle terugkeer naar Holland (3)