3. Gaudentius Diemel - Leidse jaren 1790-1818

3.1 VAN KNECHT NAAR MEESTER

3.1.1 Als kleermakersknecht naar Leiden.....
Wanneer Gaudentius precies naar Leiden kwam, is niet bekend. Wel blijkt uit een verzoekschrift dat hij daar al vóór zijn poorterschap van 12 februari 1790 als kleermakersknecht werkzaam was. In dat verzoek, waarop het Gerecht van Leiden op 20 mei 1790 een beschikking nam, verklaarde hij ongeveer negen maanden bij een meester-kleermaker binnen Leiden te hebben gewerkt. Zijn Leidse loopbaan moet daarmee uiterlijk omstreeks augustus 1789 zijn begonnen, mogelijk nog iets eerder. DDaarmee weten we wanneer Gaudentius ongeveer in Leiden werkte, maar nog niet wanneer hij er ook ging wonen. Het is mogelijk dat hij aanvankelijk vanuit Stompwijk heen en weer reisde of tijdelijk alleen in Leiden verbleef. Ook weten we niet wanneer Marijtje en hun vier zoons naar de stad kwamen. Evenmin wordt in het document vermeld bij welke meester-kleermaker hij in dienst is geweest.
Zijn eerste bekende Leidse woonadres is Beschuitsteeg nr. 12, waar hij in het bevolkingsregister als huurder staat ingeschreven. Het register vermeldt verschillende opeenvolgende huurders en bijwoners en meerdere data van inkomst en verhuizing, maar deze zijn niet eenduidig aan de afzonderlijke namen te koppelen. Ook de daarin voorkomende datum 4 januari 1791 kan daarom niet met zekerheid aan Gaudentius worden verbonden.






Tussen zijn eerste aantoonbare werkzaamheden in Leiden, uiterlijk omstreeks augustus 1789, en zijn verblijf in de Beschuitsteeg blijft dus een leemte. Of hij in die tussenliggende periode nog elders in Leiden woonde, tijdelijk onderdak vond of vanuit Stompwijk heen en weer reisde, is niet meer vast te stellen.

3.1.2 Poorter van Leiden.....
Op 12 februari 1790 werd Gaudentius officieel tot poorter van Leiden aangenomen. In het poorterboek staat hij vermeld als ‘Goudens Diemel, kleermakersknecht, geboren in ‘Nederenbergen in ’t Cleefse’. Bakker Barend van Dorsten en kruidenier Gerrit Lambooij traden daarbij als getuigen op. Het poorterschap was niet noodzakelijk om in Leiden te wonen of er als knecht bij een meester te werken. Gaudentius was op dat moment dan ook al minstens enkele maanden in de stad werkzaam. Dat hij zich vervolgens als poorter liet aannemen, krijgt extra betekenis door de volgende stap die hij binnen het kleermakersambacht probeerde te zetten.

3.1.3 Op weg naar de meesterproef.....
Gaudentius wilde kennelijk verder komen dan het knechtschap. Hij wendde zich tot de deken en hoofdmannen van het Leidse kleermakersgilde met het verzoek de meesterproef te mogen afleggen. Zij weigerden hem echter tot die proef toe te laten. Volgens artikel 2 van de ordonnantie van het kleermakersgilde moest een kandidaat twee jaar als knecht bij een meester-kleermaker hebben gewerkt. Gaudentius kon op dat moment slechts ongeveer negen maanden diensttijd bij een meester binnen Leiden aantonen. Hij legde zich niet bij die weigering neer en wendde zich vervolgens, met hulp van Gijsbert van der Spruijt, tot het Gerecht van Leiden. Van der Spruijt was in deze periode klerk ter secretarie van Leiden. Dat blijkt uit de registratie van zijn huwelijk voor de Leidse schepenbank op 24 juni 1790, waarin hij als zodanig wordt aangeduid. Welke rol hij precies bij het verzoek van Gaudentius vervulde, blijkt niet uit de stukken. Zijn functie maakt echter begrijpelijk dat hij Gaudentius behulpzaam kon zijn bij het voorleggen van zijn verzoek aan het stadsbestuur.






Op 20 mei 1790 volgde de beschikking. Het Gerecht verleende Gaudentius dispensatie van artikel 2 van de gildeordonnantie. Hij mocht de meesterproef alsnog voor de deken en hoofdmannen afleggen, mits hij vooraf bij de secretarie van de stad ten behoeve van de armen vijftien gulden en vijftien stuivers betaalde.

3.1.4 De meesterproef: hoe liep het af?
Hier laat het archief ons helaas in de steek. De toestemming van het Gerecht bewijst dat Gaudentius de meesterproef mocht afleggen, maar niet dat hij dat daadwerkelijk heeft gedaan of ervoor is geslaagd. In de bewaard gebleven gildeboeken is daarvan geen bevestiging gevonden. We kunnen hem vanaf 1790 daarom niet zonder meer meester-kleermaker noemen. Wel laten de stukken een duidelijke ontwikkeling zien. Binnen betrekkelijk korte tijd werkte Gaudentius in Leiden als knecht, werd hij poorter en verkreeg hij dispensatie om ondanks zijn te korte diensttijd tot de meesterproef te worden toegelaten. Latere bronnen laten echter zien dat het kleermakersvak zijn verdere leven bepaalde.

De patentregisters van 1817 en 1818 bevestigen dat hij tot aan het einde van zijn leven als zelfstandig kleermaker werkzaam was. Hoe en wanneer hij in de tussenliggende jaren die zelfstandige positie precies heeft verworven, blijft vooralsnog een ontbrekend stukje in zijn levensverhaal. Met zijn beroepsmatige positie in Leiden enigszins in beeld, dient zich een volgende vraag aan: waar woonde Gaudentius met zijn gezin in de stad? Zijn opeenvolgende adressen blijken opvallend dicht bij elkaar te hebben gelegen. Zij voeren ons naar een klein gebied rond de Hooigracht, waar zich vrijwel zijn gehele Leidse leven zou afspelen.